Stappenplan

Hieronder volgt een korte stapgewijze beschrijving van de gebruikte methodiek bij het waarderen van de molenbiotoop met behulp van hoogtegegevens uit de AHN. Aangezien veel hoogtemetingen moeten worden verwerkt is dit geautomatiseerd opgezet. Bij een molenbiotoop met een straal van 400 meter gaat het om circa 500.000 m2 en dus om 30.000 hoogtemetingen (1 hoogtemeting per 16 m2). Om de berekeningen helder te maken zijn ze uitgesplitst in de volgende stappen.

Stap 1. Gegevenspreparatie

Stap 1A. Hoogtegegevens en molengegevens inlezen / gegevensmodel opzetten

De hoogtegegevens uit het AHN moeten worden ingelezen in verwerkingssoftware (Geografische Informatiesysteem, Database) om ze te kunnen gebruiken. Ook de molengegevens en de molenlocaties moeten worden gecombineerd en worden ingelezen, zodat ze bruikbaar zijn om het onderzoek te kunnen uitvoeren.

Hoogtegegevens
Het hoogtebestand bestaat uit twee delen. Een basisbestand en een bestand met uitgefilterde punten. Het basisbestand bestaat uit de originele gefilterde laserpunten zoals deze zijn ingewonnen m.b.v. laseraltimetrie. Het bestand met uitgefilterde punten bestaat uit metingen die aan een aantal selectiecriteria voor verwijdering voldoen, en niet mogen worden opgenomen in het basisbestand. Het gaat voornamelijk om metingen van losse bebouwing, in stedelijk gebied kleiner dan 1 km2, losse bomen en foutieve metingen. Door het invoeren van zowel de basishoogtemetingen als de uitgefilterde hoogtemetingen ontstaat een gegevensmodel met de volgende structuur.

Gegevensmodel hoogtemetingen [basis]
xx-coordinaat
yy-coordinaat
hoogtegemeten hoogte op de betreffende locatie


Er is gekozen om de uitgefilterde- en basishoogtemetingen samen te voegen. Hierdoor is er geen onderscheid meer tussen basispunten en uitgefilterde punten. Voor het waarderen van de molenbiotoop is het onderscheid tussen basis- en uitgefilterde hoogtemetingen niet van belang. Juist de uitgefilterde metingen van gebouwen en andere obstakels zijn relevant voor dit onderzoek, omdat deze gebouwen en obstakels mogelijk windhinder opleveren voor de molen. Door de inconsequente filterregels (alleen losse bebouwing in kernen kleiner dan één vierkante kilometer) moest door de producenten van het AHN in bepaalde gevallen wel worden gefilterd en in andere gevallen niet. Dit leidt tot verschillen tussen gebieden. Grote oppervlakten stedelijk gebied zijn niet gefilterd, terwijl daarentegen losse bebouwing in het landelijk gebied wel gefilterd diende te worden.

Molengegevens
Van bijna alle molens is de locatie bepaald. Het merendeel van de locaties is overgenomen uit de Top10Vector, enkele locaties zijn afgeleid uit de bestanden van de Rijksdienst voor Monumentenzorg en een paar locaties zijn middels veldwerk met GPS bepaald. Hierdoor zijn van de molens een x-coördinaat en een y-coördinaat bekend.

Het gegevensmodel voor de moleninformatie bestaat uit de volgende onderdelen

Gegevensmodel Moleninformatie [molens]
xx-coordinaat van de molen
yy-coordinaat van de molen
sortezuniek nummer om molen te relateren aan thematische gegevens NL-molenbestand
stellingstellinghoogte
extrahoogte van eventuele verhoging
vluchtlengte van het gevlucht
maaiveldmaaiveldhoogte (op basis van postcode, site AGI)

Stap 1B. Selecteren van de hoogtemetingen binnen een straal van 400 meter

De hoogtemetingen uit het AHN worden geleverd in kaartbladen van 5 x 6.25 km2. Aangezien de molenbiotoop maar een klein deel van een kaartblad zal beslaan, moeten de niet relevante hoogtemetingen worden verwijderd om het rekenproces te versnellen en geheugenruimte te sparen. Voor het bepalen van de biotoop is uitgegaan van een straal van 400 meter rond een molen. Alle hoogtemetingen die binnen 400 meter van de molen liggen worden geselecteerd voor de vervolg stappen.

Stap 2. Biotoopregels toepassen (bepaling overschrijding)

Stap 2A. Biotoopformule berekenen

Van elke hoogtemeting in de molenbiotoop kan worden bepaald of de met de biotoopformule bepaalde biotoopnorm wordt overschreden. Ook kan worden bepaald hoe groot de overschrijding is. Voor de hoogtemetingen in een molenbiotoop kan per molen vervolgens een relatieve overschrijding worden berekend, zodat het mogelijk is de overschrijding van de hoogtemetingen van verschillende molens onderling te vergelijken.

Stap 2B. Drie biotoopcriteria afwegen

Van elke hoogtemeting die is gedaan in de molenbiotoop kan worden bepaald of deze onder het niveau blijft van de met de biotoopcriteria bepaalde toegestane hoogte. De toegestane hoogte hangt af van de afstand tot de molen, het onderste punt van de vertikale wiek en de met de biotoopformule bepaalde biotoopnorm. De hoogte van het onderste punt van de vertikale wiek is de ondergrens. Afhankelijk van het type molen en de hoogte van de askop strekt deze ondergrens zich minimaal 100 meter rond de molen uit. Bij hoge stellingmolens is deze zone waar de ondergrens geldt groter. Hoogtemetingen moeten onder deze ondergrens blijven. Na de zone waar de ondergrens de maat is om te bepalen of een hoogtemeting windhinder oplevert geldt een opgaande lijn (biotoopnorm) die met de biotoopformule kan worden bepaald. Wanneer een hoogtemeting de ondergrens of de met de biotoopformule berekende biotoopnorm overschrijd is er sprake van windhinder.

Afhankelijk van het type molen zijn er twee of drie criteria waaruit de toegestane hoogte wordt bepaald.
- 100 meter vrije zone rond een molen (stellingniveau bij verhoogde molen) (ondergrens)
- vanaf 100 meter de met de biotoopformule berekende norm
- stellingniveau (ondergrens) na 100 meter tot de biotoopformule boven dit niveau komt
(bij verhoogde molens kan het zijn dat de bepaalde norm met de biotoopformule pas verder dan 100 meter van de molen boven het stellingniveau komt. Hier is dan het stellingniveau de toegestane hoogte.)

Volgens de biotoopnormen van de Hollandsche Molen moet de eerste 100 meter rond een molen vrij zijn van obstakels. Dit is het eerste criterium. In het geval van een verhoogde molen, zoals een stellingmolen, geldt dat obstakels de eerste 100 meter lager moeten zijn dat het niveau van het laagste punt van de onderste wiek, ofwel kort ondergrens. De ondergrens is bij stellingmolens het stellingniveau, bij grondzeilers zal het maaiveld deze ondergrens vormen.(1)

Het tweede criterium is een toegestane hoogte berekend op basis van een bepaalde afstand van de molen, de lengte van de wieken en de eventueel aanwezige stelling. Met de biotoopformule van de Hollandsche Molen kan de toegestane hoogte op een locatie waar een hoogtemeting is verricht worden bepaald. De met de biotoopformule berekende norm is een oplopende lijn gezien vanuit de molen.(2)

Samenstelling van de toegestane hoogte voor de beoordeling van de molenbiootoop (grondzeiler)


Daarbij treedt een kleine complicatie op. Afhankelijk van de hoogte van het stellingniveau en de lengte van de wieken begint deze norm onder het niveau waarop de wieken draaien en komt deze op een bepaalde afstand van de molen pas boven dit stellingniveau. Wanneer de afstand van het punt waarop de met de biotoopformule berekende norm boven het stellingniveau komt verder dan 100 meter van de molen is gelegen dan wordt in het gebied vanaf 100 meter tot dit punt ook als ondergrens het stellingniveau aangehouden. Dit is het derde criterium waar rekening mee moet worden gehouden.(3)

Samenstelling van de toegestane hoogte voor de beoordeling van de molenbiootoop (stellingmolen)


Uit de drie criteria wordt de toegstane hoogte voor beoordeling van de molenbiotoop opgesteld. Als de gemeten hoogte boven deze toegestane hoogte uitkomt dan is er sprake van windhinder voor de molen. De hoogtemetingen die windhinder opleveren worden geselecteerd, zodat er berekeningen kunnen worden gedaan om de mate van windhinder te bepalen en hieruit een score voor de molenbiotoop te genereren.

Stap 2C. Relatieve overschrijding berekenen

De in de vorige stap bepaalde overschrijding kan dimensieloos worden gemaakt en worden geschaald zodat het onafhankelijk is van de wieklengte van de molen. De relatieve overschrijding is de absolute overschrijding gedeeld door een halve lengte van het gevlucht.

relatieve overschrijding = overschrijding (m) / (0.5 x lengte van het gevlucht(m))

(Er is gekozen voor een relatieve overschrijding ten opzichte van een halve vluchtlengte omdat het effect van een opstakel meestel op tweemaal de hoogte van het obstakel nog merkbaar is. Dit betekent dat een obstakel zo hoog als de helft van het gevlucht, dus de hele molen belemmert.)

Stap 3. Standaardiseren van de hoogtemetingen

Stap 3A. Toekennen van een hoek t.o.v. de molen

Uit de vorige stap zijn de hoogtemetingen die de biotoopnorm overschrijden overgehouden. Deze hoogtemetingen liggen willekeurig verspreid in de molenbiotoop van een molen. De ligging en het aantal hoogtemetingen is voor elke molen weer anders. Om ervoor te zorgen dat molens onderling vergelijkbaar zijn moeten de willekeurige overschrijdingen gestandaardiseerd worden. De mate van overschrijding is al gestandaardiseerd door dit te relateren aan de wieklengte van een molen, hierdoor is de absolute overschrijding vergelijkbaar te maken voor verschillende molens. Het uiteindelijke doel is om tot één biotoopcijfer per molen te komen. Dit cijfer is weer opgebouwd uit verschillende biotoopcijfers voor de 8 hoofdwindrichtingen. Binnen een hoofdwindrichting is gekozen om een indeling te maken in sectoren. Om de hoogtemetingen in deze sectoren in te kunnen delen moet allereerst de hoek worden berekend. Hierbij wordt de normale indeling in graden aangehouden zoals die gebruikt worden in de meteorologie, dus 0 graden is Noord, 90 graden is Oost, 180 graden is Zuid en 270 graden is West. Zie onderstaand figuur.

Indeling in hoofdwindrichtingen


Stap 3B. Indelen in sectoren a.d.h.v. hoek en afstand

Op basis van afstand en hoek kunnen de hoogtemetingen per molenbiotoop in sectoren worden ingedeeld. Deze sectoren zijn voor iedere molen gelijk. Met behulp van de sectoren kunnen de molenbiotopen onderling vergeleken worden. Er is gekozen om de hoogtemetingen per hoofdwindrichting in te delen in 36 sectoren. Perhoofdwindrichting wordt de volgende indeling gemaakt. Er worden acht ringen gemaakt van elk 50 meter breed zodat de volledige 400 meter wordt beslagen, zie onderstaand figuur.

Indeling in ringen van 50 meter


Afhankelijk van de ring wordt deze verdeeld in 1 tot 8 sectoren. Per hoofdwindrichting ontstaan dus 36 sectoren. De sectoren zijn volgens een drie-cijfer-code genummerd. Het eerste getal geeft de hoofdwindrichting aan waarbij 1 Noord is en 2 Noordoost … via 5 Zuid …tot en met 8 Noordwest. Het tweede cijfer geeft de ring aan waarin de hoogtemeting is gelegen, beginnend bij 1, wat staat voor de ring van 0 – 50 meter, via 2 van 50 – 100 meter, naar 8 van 350 - 400 meter. Het laatste cijfer van de code geeft vervolgens weer de sector binnen de ring aan, waarbij ring 1 uit 1 sector bestaat en ring 8 uit 8 sectoren, waarbij het getal met de klok mee oploopt. Als voorbeeld is sector Noord weergegeven in de onderstaande figuur. Hierbij blijft de in beschouwing genomen oppervlakte redelijk constant, zie onderstaande tabel.

Indeling in sectoren


ringoppervlakte (m2)
1982
21473
31636
41718
51767
61800
71823
81841


Oppervlakte van de sectoren in een ring


Na de bewerking zijn alle hoogtemetingen die de norm van de molenbiotoop overschrijden ingedeeld in de volgende sectoren; zie onderstaand figuur. Voor de complete molenbiotoop ontstaan 8 * 36 = 288 sectoren Hierna kunnen de hoogtemetingen met behulp van de sector-indeling gestandaardiseerd worden, zodat verschillende molens onderling vergeleken kunnen worden.
Totale indeling in 288 sectoren


Stap 3C. Maximale overschrijding per sector bepalen

Om de molenbiotopen te standaardiseren wordt de maximale waarde van een overschrijding per sector bepaald. Dit wordt representatief geacht voor de windhinder in een sector. Van meerdere hoogtemetingen in een sector wordt op deze wijze teruggegaan naar één waarde per sector. Elke molen heeft één waarde voor eenzelfde sector, waardoor ze onderling vergelijkbaar worden.

De gemiddelde oppervlakte van een sector is ongeveer 1600 m2 wat neer komt op 40 bij 40 meter. Het hoogste obstakel in zo’n sector is dus representatief voor deze sector. Lage objecten vallen in de "windschaduw" van hoge objecten. Lage objecten hebben geen extra invloed op de windhinder, veroorzaakt door het hoogste object. Een gemiddelde per sector is onmogelijk omdat het aantal hoogtemetingen met overschrijding varieert per sector en bovendien het gemiddelde dan genomen wordt over de hoogtemetingen met overschrijding in plaats van alle hoogtemetingen. Bovendien wordt de mate van windhinder bepaald door het hoogste object en niet door een gemiddelde.

Stap 4. Informatie afleiden

Stap 4A. De maximale relatieve overschrijding per sector indelen in categoriën

Om het mogelijk te maken de maximale relatieve overschrijding per sector te kunnen gebruiken is de relatieve ingedeeld in 5 categoriën. Hierdoor ontstaat per sector een score van 1 t/m 5. Deze vijf categoriën zijn beter te visualiseren. Bovendien zijn de vijf categoriën gebruikt om totalen per windrichting en per molen af te leiden.

categoriebereik van de maximale overschrijding
1<= 0.2
2> 0.2 & <= 0.4
3> 0.4 & <= 0.6
4> 0.6 & <= 0.8
5> 0.8

Indeling van de maximale overschrijding in categoriën


Alle 288 sectoren kunnen op deze manier ingedeeld worden in de vijf categoriën. Wanneer er geen hoogtemeting met een overschrijding in een sector ligt krijgt deze sector geen waarde, ofwel 0.

Stap 4B. Informatie afleiden, op molenniveau en per hoofdwindrichting

Na de vorige stap is een tabel beschikbaar waarin per molen 288 sectoren zijn voorzien van informatie over de molenbiotoop. Er kunnen uit de gecategoriseerde sectorscores veel afgeleide scores worden bepaald op een hoger abstractieniveau. Bijvoorbeeld per windrichting of voor de gehele molen. Ook kunnen er wegingen aan de hand van afstand, hoek, categorie en score worden toegepast. Hier zijn eindeloos veel mogelijkheden.

Per sector is de maximale overschrijding (in meters), de maximale relatieve overschrijding en de categorie waarin de overschrijding is ingedeeld (sectorscore) aanwezig. Aangezien het onmogelijk is om het overzicht te bewaren over 288 sectorscores moet deze informatie bewerkt worden om uitspraken te doen over de molenbiotoop.

Op hoofdlijnen kunnen uitspraken worden gedaan voor een molen.
- Een waarde voor de gehele molenbiotoop
- Een waarde per hoofdwindrichting (8) van de molenbiotoop

Hiervoor zijn een aantal technieken beschikbaar die worden gevat onder de term beschrijvende statistiek. Afhankelijk van het gewenste doel kunnen de volgende technieken gebruikt worden.
- Sommatie van de waarden, al dan niet gewogen
- Bepaling gemiddelde, mediaan en modus
- Indeling van de waarden in quantielen enz.